in

Mee leven

‘Gelukkig valt er goed mee te leven’. De eerste week wilde ik iedereen die dat tegen me zei, voor zijn of haar kop slaan.

Die zin bracht me tot innerlijke razernij. Waarschijnlijk bedoelden ze het goed. Zeiden ze het als een troost. Zo van, er zijn nog ergere dingen. Dingen waar je niet mee kunt leven. En ja, die zijn er. Ik kan die ziektes ook bedenken. Maar dat heeft mijn dertienjarige kind niet. Ze heeft een alvleesklier die niet meer werkt. Nooit meer. Suikerziekte. Dat klinkt bijna alsof het leuk is. Maar diabetes type-1 is een auto-immuunziekte. Kijk, dan krijg je ze tenminste even stil.

Dat was ik ook, toen de huisarts me de diagnose vertelde. Zeker, ze was moe, bleek en had altijd maar dorst. En ze werd zo mager. Dochter lachte voorzichtig naar de man achter zijn bureau, die haar direct duidelijk maakte dat ze de rest van haar leven insuline moest gaan spuiten. We mochten meteen door naar het ziekenhuis. Mijn hoofd ratelde. Hoe moet dat verder? Kan ze dan wel kinderen krijgen later? Wat betekent het voor haar tweelingzus? En: misschien zit hij er wel naast.

De dienstdoende kinderarts onderzocht haar nogmaals. Bloed, vragen, urine, wegen. Alles. Helaas kwam zij niet tot een andere conclusie. Mijn meisje knikte op alles wat de dokter en haar assistent haar vertelde. Behalve toen de arts duidelijk maakte dat ze die nacht in het ziekenhuis moest blijven.

Op de kinderafdeling installeerde een vriendelijke verpleegkundige ons. Ik maakte de stretcher naast het bed van mijn dochter op. Tien minuten later kwam de verpleegkundige blijmoedig met een dikke roodgekleurde pen binnen. Of ze haar t-shirt een stukje omhoog wilde doen om insuline te spuiten. En zo leerden we in twee dagen heel veel over koolhydraten, glucosewaarden, insuline spuiten, hypo’s en hypers. We maakten kennis met de kinderarts, de diabetesverpleegkundige, de diëtiste.

Ze doet het zo goed, mijn dappere dochter. Al vanaf de tweede dag zet ze zelf die vervelende spuit in haar buik. Drie keer per dag. Plus nog één in haar bovenbeen voor ze gaat slapen. Ze telt koolhydraten en legt mij uit wat ze bedoelen met de koolhydraatratio. Rekenen is zeg maar niet echt mijn ding. De diabetesverpleegkundige bezweert ons dat we de diabetes aan haar leven aanpassen. Niet andersom. Ik wil het graag geloven.

Als dochter in een verdrietige bui mij vraagt de tijd terug te draaien naar toen alles nog normaal was, breekt mijn hart. Ik durf het nog niet te geloven. Er zijn nog zoveel vragen. Haar suikerwaarden zijn nog niet goed. Ze heeft nog weinig energie. Het is nog te vers.

Het is twee weken na de diagnose. Bij het zoveelste verhaal dat ik deze week vertel over hoe we het ontdekten en of ze moet spuiten – een dorp heeft zo zijn voor- en nadelen boven de anonieme grote stad – hoor ik het mezelf zeggen. ‘Gelukkig valt er goed mee te leven’. Ik zie mijn gesprekspartner een beetje opgelucht glimlachen. ‘Ja, hè,’ zegt ze. ‘Nou, beterschap.’

Waarna we ieder onze weg vervolgen door de supermarkt. Zij laadt de producten die op haar boodschappenlijstje staan zonder te kijken in haar karretje. Ik draai verschillende pakken nog maar eens om en vergelijk de voedingswaardetabellen.

Comments

Zeg het maar

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Loading…

0

Comments

comments

Illustrated journaling, een creatieve hobby

Klaar voor middelbaar!