in

Eens zou die dag komen, dat wisten we 12 jaar geleden ook

Twaalf jaar geleden besloten wij na uitgebreid de plussen en minnen tegen elkaar te hebben weggestreept er weloverwogen voor om een hond te kopen. Mijn moeders woorden: “Als jullie toch een hond willen, dan kun je het net zo goed nu doen”, vormden de positieve noten tegenover de vele nadelen die anderen opwierpen (“Je zit er toch tien, twaalf jaar aan vast”, “Het is toch een kostenpost”, “Jullie wonen zelf nog niet eens een jaar samen, geniet daar nu eerst eens van”, “Je moet er echt élke dag een keer of vier mee wandelen!” etc., enz.). Kortom: de hond kwam er. Het was 2001, we woonden samen in ons huurhuisje in Eibergen. Hengelo was nog ver weg, net als kinderen.

hobbesEen kostenpost was hij: naast voer en inentingen kwamen er diverse niet-reguliere dierenartsenbezoeken en dito medicijnen bij. Hobbes bleek nieren te hebben die niet helemaal deden waar ze normaal voor dienden. Het gewone voer werd dan ook ingeruild voor speciaal voer. Bovendien was de blonde (en als ik zeg blond, dan bedoel ik ook écht blond) labrador in zijn jonge jaren niet zo braaf als het imago van het ras is. Resulterend in nogal wat vernielingen. Zo werden bijvoorbeeld schoenen, de tuin en zelfs een deurpost een extra kostenpost.

En ja, vrijwel iedere dag volgde er een kwartet aan wandelingen. Sommige wat langer, sommige extra lang, vaak hetzelfde (kortere) rondje. Heel wat zolen zijn zo versleten. Eerlijk is eerlijk: die rondjes (sinds het twittertijdperk omgedoopt tot #rhondjes) waren niet altijd even leuk. Regen, sneeuw, harde wind: heel wat verschillende weertypes passeerden de revue.

Maar bovenal hebben we ontzettend veel plezier gehad van onze lobbes. Jarenlang was hij – oh cliché – ons ‘eerste kind’. Tot zoonlief zich in 2007 aandiende. Maar ook daarbij was hij weer van onschatbare waarde, want wat hebben we veel gehad aan die enorme wandeltocht die we ondernamen op de dag dat de zwangerschap voor het eerst bevestigd werd. Praten, plannen smeden, blij zijn: het kon allemaal tijdens dat speciale rondje.

Overigens bleek Hobbes een neusje te hebben voor zwangere vrouwtjes. Dat bleek toen hij ongeveer twee jaar later als een soort super-Predictor zijn hoofd al te nadrukkelijk op de schoot van mijn vrouw legde. “Dat deed hij ook voordat we überhaupt een zwangerschapstest deden bij Pim. Je bent weer zwanger, wedden?” En inderdaad, het was de onofficiële aankondiging van Femkes komst geweest, bleek niet veel later.

Met de komst van beide koters schoof Hobbes – hoezeer we dat ook ontkenden – steeds een stapje verder terug in de familie-hiërarchie. Maar hij hoorde er wel bij – en hij maakte (vrijwel) alles mee. Het opgroeien van de kinderen, met alle ups en downs, met hun lachen en huilen, ziektes, vallen en opstaan. En hoewel ze hem in hun jonge klunzigheid best eens aan oor of staart trokken: hij liet alles zonder ook maar één krimp te geven gebeuren.

Tot gisteren. Hij kon niet meer. Twaalf jaar, en dat was gezien zijn ziektegeschiedenis een hele prestatie. Voor onszelf als baasje en vrouwtje was het al geen fijn moment – wij moesten immers het besluit nemen om Hobbes in te laten slapen. Maar hoe breng je dat naar de kinderen? En laat je heb er bij het moment zelf bij zijn, of juist niet?

Wij hebben ervoor gekozen om Pim en Femke zelf te vragen of ze er bij wilden zijn. Ja, dat wilden ze allebei. Eerder had Pim al gezegd dat als Hobbes doodging, we een ander huisdier konden kopen. Femke specificeerde dat op de dag des oordeels nog wat. Ze wilde graag een blonde hond, die we dan ook Hobbes konden noemen. In ieder geval wilden ze allebei een foto hebben van de ‘ons allemaal met Hobbes’. Die hebben we een uur voordat we naar de dierenarts reden nog gemaakt. Een mooie herinnering, net als het laatste #rhondje dat we als familie hebben gemaakt. Wonder boven wonder toonde Hobbes zich tijdens dat tochtje aardig fit, terwijl wij met lood in de schoenen liepen.

Langzaam kwam het bewuste moment dichterbij en schoorvoetend liepen we de spreekkamer van de dierenarts binnen. “Ik ga Hobbes missen.” Het is de zin die in verschillende varianten de hele dag al klonk in huize-Koning en ook in de dierenartsenpraktijk klonk die nog vaak. Hobbes zelf stapte monter binnen, ten teken dat hij er klaar voor en mee was. Dement, slechte achterpoten, mindere voorpoten, incontinent en volgens de dierenarts was dat alleen nog maar het zichtbare leed. Twaalf jaar daarvoor wisten we al dat deze dag waarschijnlijk ooit zou komen, maar dat maakte het er niet minder moeilijk van.

De kinderen hielden zich wonderbaarlijk dapper. Natuurlijk was er de verwondering en ook de woede. Hobbes kwam niet meer terug. Het verbaasde me dat ze het al zo goed begrepen, dat begrip ‘dood’. Ze zijn nog maar 3 en 5 (oké, bijna 4 en 6, maar toch). Ik mag dan als Groninger nuchterheid door de aderen hebben stromen, maar als je je kinderen hard ziet huilen – want er volgden uiteraard veel tranen –, dan breek je ook. Niets menselijks is mij vreemd.

Maar ondanks het verdriet – halverwege het schrijven van dit blogje-dat-inmiddels-een-heel-epistel-is-geworden werd het me weer even te kwaad – ben ik vooral trots op hoe we het gedaan hebben. En dat we het zo gedaan hebben. Wij als ouders, Pim en Femke als kinderen en Hobbes als hond. RIP

Comments

Zeg het maar

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Loading…

0

Comments

comments

Hoe een hand een hart kan raken

5x waarom je nu voor zakelijk Instagram kiest