in

Papa, hou toch eens je mond

tomteGraag schep ik over mijn zoontje op dat hij al zo snel kon praten en nu al in complexe volzinnen praat met een volledig arsenaal aan archaïsche en onbekende woorden: wielweb, vivace, jazzorgel. En hij praat aan één stuk (‘net zijn vader’, zeggen vrienden dan altijd gevat) en wat hij zegt hoeft niet per se enig verband te houden met de realiteit. Stiekem leer ik hem niet alleen graag rare, onbekende woorden, maar ben ik ook niet bang om eigenzinnige verklaringen te geven voor allerlei zaken en gebruiken waarmee we te maken hebben. Hij zegt alles na, hij onthoudt alles, en hij gebruikt de woorden en verhalen vervolgens actief – maar niet altijd op de juiste manier.

Mijn vrouw vindt het vaak te ver gaan. Ze vindt dat ik hem trucjes leer of dat mijn gebruik van fantasie ons zoontje bang maakt. Zo werd mijn vrouw laatst boos op me toen mijn zoontje ’s avonds voor de tv angstig aan haar vroeg of hij al vierkante ogen had. En toen ik onlangs het boek Alie Modderman eens extra spannend voorlas riep mijn zoontje na afloop verschrikt: ‘maar ik wil niet naar Alie Modderman!’ (eigenlijk een lieve gastouder). Tja, weer ruzie met mijn vrouw…

Ik ben nou eenmaal niet zo van de censuur. Ik hou van de ruwe werkelijkheid maar ook van fantasie, creativiteit en het je nergens voor te hoeven schamen. Ik denk dat dat uit mijn jeugd komt. Mijn juf op de basisschool moet nachtmerries van mij hebben gehad. Ik was

  • een betweter (‘nee juf, het winterkoninkje is niet het kleinste vogeltje van Nederland, dat is het goudhaantje’),
  • iets te volwassen (‘wie weet waar de kinderen vandaan komen?’ ‘uit het spleetje van een vrouw, juf’ ‘uh, ja uit mama’s buik ja’),
  • en onaangepast (‘wij hebben vannacht in de tuin in een iglo geslapen’ ‘haha, wat een fantasie!’ – grappig tot het waar bleek te zijn en ze bijna de kinderbescherming belde).

Dat de juf dat laatste niet een-twee-drie geloofde, was niet heel vreemd. Sommige mensen waarschuwden mijn vader dat ik te veel fantasie had. Ik geloofde als laatste van de klas nog in Sinterklaas, maar ook in mijn geheel zelf geschapen fantasiewereld. Door mij gelooft mijn zoontje nu in kabouters die achter de roosters in het zwembad leven om het water te poetsen en scheetjes te laten voor het bubbelbad, dat de maan van kaas is, maar ook dat een dood egeltje echt dood is en verandert in mooie bloemen boven zijn grafje dat we samen maakten.

Praat ik echt te veel? Is het slecht dat mijn zoontje in kabouters gelooft en tegelijkertijd een melkdistel aanwijst en ‘melkdistel’ zegt? Mijn vader stond in mijn geboorteplaats bekend als ‘die rare man’ die zich nergens voor schaamde en met ons speelde alsof hij zelf een kind was – en onbewust doe ik nu wat hij ook deed. Misschien is het niet goed, maar ik klets, ik fantaseer, ik benoem en ik leg uit. En mijn zoontje doet me nu al na. Arme juf, straks…

Comments

Zeg het maar

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Loading…

0

Comments

comments

Stuk

Leren jongleren