in

In alle eerlijkheid: vaderschap

Gastblog van Jan Dijkgraaf, vader van zoon Pim (24) en zoon Bob (21). Dit blog verscheen eerder op Hoe mannen denken.

Jan DijkgraafOp 9 juli 2008 scheurden wij met een camper van Noorwegen naar Nederland. Mijn vader lag op sterven. In het ziekenhuis in Gouda zaten mijn moeder en mijn zusje met haar gezin al rond zijn bed toen we de volgende dag arriveerden. Wat in onze relatie altijd logisch was, vanzelfsprekend, maar nooit een gespreksonderwerp, besloot ik toen eindelijk eens uit te spreken.

“Ik ben je dankbaar. Ik ben trots op je. Ik hou van je”. Een paar uur later overleed hij. Bij zijn crematie, op 16 juli 2008, liet ik het nummer draaien dat ik ooit had gereserveerd voor mijn eigen begrafenis: ‘Goodbye, my Friend’, van Karla Bonoff.

Was mijn vader een goede vader geweest? De beste!

Ben ik een goede vader geweest? Ik vrees van niet…

Ik heb gedurende de belangrijkste ontwikkelingsjaren van mijn kinderen, van hun geboorte in 1989 en 1992 tot eh… heel lang, gekozen voor mezelf. Voor altijd maar werken, vaker zes dan vijf dagen per week. Voor veel reistijd, doorgaans vóór de ochtend- en ná de avondfile. Omdat we ze nu eenmaal een Kameleon-jeugd in Friesland gunden, terwijl mijn werkzaamheden voor kranten, tijdschriften en omroepen zich doorgaans in de Randstad afspeelden.

Ik heb, in de polders van de Krimpenerwaard, een fantastische jeugd gehad. Eentje die ik mijn kinderen ook gunde. Dat betekende, naar wat in de jaren ’60 en ’70 redelijk normaal was: zorgen dat het ze aan niets ontbrak. Woekeren met mijn talenten. Maar ook eentje waarin de moeder opdraaide voor de verzorging en opvoeding van de kinderen. Mijn vader bemoeide zich er alleen mee als het ‘fout’ dreigde te gaan. Daar heb ik een afkeer voor drankorgels aan overgehouden. Een hekel aan schulden. En een bovenmatig ontwikkeld arbeidsethos.

Zes uur verzorging van de kinderen per week, wat nu het gemiddelde is? Dat vreselijke woord: ‘papadagen’? Als ik iemand tekort heb gedaan, was het mijn vrouw. Want ik deed daar niet echt aan. Ja hoor, ik heb met Pim, die van 1989, tussen mijn ochtend- en middagdienst bij wijlen het Rotterdams Nieuwsblad úrenlang op mijn buik over het strand van Rockanje gewandeld. Want dat was het enige dat werkte tegen die eeuwige darmkrampjes bij die jankerd: buik op buik met zijn ouweheer.

En met schrikkelkind Bob (van 29-2-’92 – en daar heeft ie ook het karakter naar…) bezocht ik drie seizoenen lang de thuiswedstrijden van Feyenoord. Dat waren van voordeur tot voordeur dagen van acht uur. Wérkdagen, want Feyenoord bezoek je niet voor je hobby. En verder werd ik leider en grensrechter bij zijn eigen voetbaleftal. Inclusief reistijd, warming-up en de rest hebben we het dan ook over een uurtje of vier gemiddeld per week.

En natuurlijk heb ik luiers verschoond. En flesjes gegeven. En fruithapjes. En met ze gewandeld. En pretparken bezocht. En limonade voor ze ingeschonken. En de tien-minutengesprekken bezocht, soms, nou weinig, al hadden ze er van mij ook negen mogen duren. En ‘s avonds, aan tafel, meer dan ze lief is getracht corrigerend op te treden als ze in mijn ogen ‘in de fout’ gingen. Iets wat de sfeer nogal heeft beïnvloed bij ons thuis – en niet altijd ten goede, want ik schijn nogal een drammer te zijn. Kritiek daarop gebruikte ik vaak weer als aanleiding voor een terugtrekkende beweging. Als jullie er met zijn drieën zonder mij beter uit komen, laat ik me er dan vooral niet mee bemoeien…

Qua zorg schoot ik grandioos tekort. Qua bezorgdheid niet. Als Pim, de kopie van zijn moeder, zich liet meeslepen door vrienden die graag alles probeerden wat de chemie te bieden heeft, of ondanks voldoende talent zijn opleiding verknalde, sloeg het me soms letterlijk om het hart. En als Bob, die karakterologisch een mix van mijn vader en mij schijnt te zijn, weer eens tegen beter weten in een discussie wilde winnen omdat het hele leven nu eenmaal een wedstrijd is, dacht ik: maak het jezelf nou toch niet zo moeilijk, man, je neemt me toch niet meer serieus als ik je láát winnen? Dus dat werden verbale veldslagen, zoals ik met mijn vader had en die met zijn vader…

Ik geloof dat de mens – in the end – verantwoordelijk is voor zijn eigen geluk. En de wereld harder, veel harder, dan in mijn jeugd. Je kinderen weerbaar afleveren aan de grote-mensenwereld, dat leek me het hoogst haalbare. Ik was er al die jaren weinig. Ik zorgde wel dat het ze aan niets ontbrak. Voor het materiële zorgde ik, grotendeels. Voor het immateriële hun moeder, nog grotendeelser. Uiteindelijk kon ik slechts trachten een iets verbeterde versie te worden van mijn vader, want op hem had ik weinig aan te merken. Hoogstens was ie niet zo van het tonen van de lichamelijke affectie, al vonden mijn vrienden de zoen op de mond die mijn vader en ik elkaar wel gaven al tamelijk te ver gaan. Ik ben meer een knuffelaar en stoeier geweest dan mijn vader, maar verder kopieerde ik wat ik als voorbeeld had.

Had het allemaal beter gekund? En gemoeten, ook ten opzichte van hun moeder? Zeker. Ik had met mijn talent voor het vaderschap ook wat meer moeten woekeren. Anderzijds bén ik ook gewoon een egoïst. Mijn carrière, dat ministerssalaris, ik deed het ook – en als ik eerlijk ben vooral – voor mezelf. Zóu ik voorlichter zijn geworden bij de gemeente Lemsterland, dan was ik weliswaar dagelijks om drie minuten over vijf thuis geweest, op mijn Gazelle, met terugtraprem, maar dan had ik alle venijn, agressie en andere narigheid die ik nu in mijn werk kwijt kon op die lieve mensen thuis geprojecteerd. Dan was het leed helemaal niet te overzien geweest…

Written by Xaviera Ringeling

Serieel site-bouwer. Publisher, contentspecialist, kattenvrouwtje, mofo lady, ondernemer, terrashanger, dut-koningin.

Comments

Zeg het maar

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Loading…

0

Comments

comments

Trailrunnen…dat varkentje ga ik wel even wassen

Passie. Ambitie. Wat?