Dag in dag uit passeren talloze gedachten de revue. Ieder mens heeft er elke dag zelfs zo’n 50.000! Dat had je niet gedacht hè. Ze komen vaak zomaar op, en één gedachte leidt vaak tot veel meer denkbeelden.

Veel gedachten heb je de volgende dag gewoon weer: ‘Nee, ik wil niet opstaan!’, ‘Ik wil niet werken’, ‘Wat een mooi weertje!’ en ga zo maar door. Sommige deel je met je medemensen, maar over andere hou je wijselijk je mond. De ene gedachte is de andere namelijk niet; veelal zijn ze oppervlakkig, soms diepzinnig, negatief, positief, redelijk vreemd of ietwat gênant. Van die gênante gedachten heb ik er genoeg! Vijf daarvan zal ik heel openlijk bespreken – en andere bespaar ik je.

Blog mee

1.

“… Die mensen doen het met elkaar”

Seks hoort bij het leven. Het denken over het feit dat mensen het met elkaar doen, is ook niet erg raar. Helemaal niet als de vrouw zwanger is (en die zwangere dames zijn op het moment overal), want van ‘liefde bedrijven’ komen kinderen, dat weet ik ook wel. Nee, het wordt pas gênant wanneer er ongewenste beelden aan worden toegevoegd. Zoals het stel tussen de lakens, of in allerlei Kamasutra-standjes buiten het bed. Waarom weet ik niet, misschien omdat ik het juist niet wil of mag denken, maar het gebeurt. Niet tot in detail, maar één fragment is al genoeg om het vreemd te maken. Om het nog erger te maken, denk je de volgende keer als je het betreffende stel ziet, terug aan de voor jou ongemakkelijke gedachte en herhaalt de hele situatie zich: gênant… ook al weten anderen nergens van.

2.

“Alsjeblieft zeg, doe niet zo klef!”

Niet bepaald een gedachte waardoor het schaamrood je op de kaken zou moeten staan, maar ik moet hierbij toegeven dat ik iets al snel als klef beschouw. Een kusje in mijn nabijheid? Gadver zeg. Aanhoudend gegiechel… Waarom doet ze dat? Hou eens op. De reden van deze ergernis: ik denk al snel dat dergelijk gedrag seksueel getint is. Grote onzin natuurlijk, het kan ook gewoon liefde zijn (soms), maar ik, als preutse dame, vraag me dan af wat het olijke stel daarbij voelt. Ze zijn vast opgewonden, nou liever niet in mijn aanwezigheid! Get a room please.

3.

“Jeetje, ik kan echt goed dansen!”

De frequentie van deze gedachte is afhankelijk van hoe vaak je de dansvloer betreedt (met een drankje of… genoeg) of gewoon thuis als je denkt dat niemand kijkt… maar je hebt hem zeker eens gehad! Je kunt het ontkennen, of misschien weet je het niet meer (die drankjes hè), but it was there! Deze gedachte verdwijnt overigens als sneeuw voor de zon wanneer je de volgende keer nog wat moet ‘inkomen’ in de club – oftewel nog wat drankjes naar binnen moet gieten – voordat je weer op het euforische punt komt, waarop je denkt mee te kunnen doen aan iets als ‘So You Think You Can Dance’. Schaam je daarna vooral niet, er zijn mensen die nuchter zulke gedachten hebben.

4.

“Kun je niet normaal eten? Smak niet zo.”

Bestaat er een geluid dat meer irritaties opwekt dan smakken? Hard ademen komt wat mij betreft redelijk dicht in de buurt, maar die eetgeluiden… Ik kan me er zo aan ergeren. Woest word ik ervan. Jaren dacht ik de enige te zijn die zich hier zo aan stoorde, maar het schijnt een naam te hebben: misofonie: haat aan geluid. Niet iedereen heeft deze gedachte – prijs je maar gelukkig –, maar bij mij passeert hij elke dag de revue. Bijkomstigheid is dat ik in het bijzijn van anderen (en vice versa) soms niet zo goed durf te kauwen; met mijn gezeur over hun eetgeluiden moet ik natuurlijk wel de schijn hooghouden dat ik zelf geen geluid maak. Schijn bedriegt natuurlijk, eenmaal alleen eet ik zoals ik wil: met genoeg geluid om mezelf eraan te ergeren. Gadver, wat eet ik vies.

5.

“Wanneer is deze werkdag voorbij: ik moet zóóó nodig poepen!”

Niet iedereen heeft het geluk overal te pas en te onpas een grote boodschap, een number two, een biggie, te kunnen doen. Hoewel, niet kunnen is natuurlijk weer iets anders dan het niet durven, maar uiteindelijk komt het op hetzelfde neer: the big release wordt uitgesteld, soms met buikpijn en gasvorming tot gevolg. Nog zoiets, scheetjes laten. Of niet, en ze dus ophouden. Bijvoorbeeld op het werk. In het ergste geval werk je in een stille ruimte, waardoor je de piee- en prrr-geluiden die ontstaan door de gassen moet proberen te verdoezelen: “Ah, ik heb écht honger!” fingers crossed dat je collega’s die onzin geloven. Goed, terug naar het grote, donkere onderwerp. Poep. Niemand op het werk (of school) mag weten dat jij poept, as if, maar bij thuiskomst verkondig je het aan iedereen die het maar horen wil – of niet: “Ik moet poepeeen!” om vervolgens heel snel naar het toilet te rennen. Wat een opluchting.

Welke gedachten durf jij hieronder schaamteloos, of met ietwat roodgekleurde wangetjes, toe te geven?


70 views | Geschreven door